|
Had u of uw minderjarige kinderen in 2007 bezittingen in Nederland of in het buitenland? Of gold dit voor uw fiscale partner of de minderjarige kinderen van uw fiscale partner? Dan moet u de waarde daarvan op 1 januari 2007 en 31 december 2007 (peildatums) aangeven als bezittingen in box 3. In de toelichting bij uw Aangifte inkomstenbelasting staat algemene informatie hierover. In deze aanvullende toelichting vindt u meer informatie over de vrijstelling maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Ook leest u meer over spaartegoeden waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven, over periodieke uitkeringen die u ontvangt in geld en die niet in box 1 vallen, en over bloot eigendom en vruchtgebruik.
30%-bewijsregel
Hebt u als buitenlandse deskundige in Nederland gewerkt en kiest u in 2007 voor partiële buitenlandse belastingplicht? Dan hoeft u in uw aangifte bij de vraag over bezittingen alleen rekening te houden met (rechten op) onroerende zaken in Nederland en rechten op een deel van de winst van een Nederlandse onderneming. Bij de vraag over schulden moet u ook rekening houden met de schulden die verband houden met deze bezittingen. U hebt in deze situatie geen recht op een heffingvrij vermogen, de toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen of de ouderentoeslag.
Vordering op grond van een nalatenschap
Als een van uw ouders is overleden, kan het zijn dat bij de verdeling van de nalatenschap alle goederen zijn overgegaan op de langstlevende echtgenoot. De langstlevende echtgenoot heeft dan ook de verplichting op zich genomen om alle schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. Als dit het geval is, en u hebt bij de verdeling van de nalatenschap een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot gekregen, dan geeft u deze vordering niet aan. Andere vorderingen op grond van een nalatenschap moet u wel als bezittingen aangeven in box 3.
Vrijstelling maatschappelijke beleggingen
Als u in 2007 maatschappelijke beleggingen had, geldt op elke peildatum een vrijstelling tot een gezamenlijke waarde van maximaal € 53.421. De waarde van uw maatschappelijke beleggingen die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u wel aangeven in box 3.
Uitzondering
Er geldt een volledige vrijstelling als u beleggingen hebt in een aangewezen groenfonds dat bij de Belastingdienst is geregistreerd en die u:
– op 31 december 2000 had; of
– door een erfenis of door te trouwen hebt gekregen van degene die ze op 31 december 2000 had.
U hoeft de waarde van deze beleggingen niet aan te geven. Maatschappelijke beleggingen zijn ‘groene’
beleggingen en sociaalethische beleggingen:
– ‘Groene’ beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door de Belastingdienst zijn aangewezen en die deelnemen in projecten voor milieubescherming. Deze projecten moeten door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn goedgekeurd.
– Sociaalethische beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door de Belastingdienst zijn aangewezen en die deelnemen in projecten voor bijvoorbeeld economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Deze projecten moeten door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn goedgekeurd.
Fiscale partner
Als u heel 2007 een fiscale partner had, dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Omgekeerd kan uw fiscale partner de vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling.
De partner die de vrijstelling heeft, komt in aanmerking voor de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen. In beide gevallen moet u hier in de aangifte gezamenlijk om verzoeken.
Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
Als u in 2007 beleggingen in durfkapitaal had, geldt op elke peildatum een vrijstelling tot een gezamenlijke waarde van maximaal € 53.421. De waarde van de beleggingen in durfkapitaal die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u aangeven in box 3.
Beleggingen in durfkapitaal zijn:
– achtergestelde leningen aan startende ondernemers die bij de Belastingdienst zijn geregistreerd (directe
beleggingen);
– leningen aan en beleggingen in bepaalde participatiemaatschappijen (indirecte beleggingen);
– beleggingen in culturele fondsen die door de Belastingdienst zijn aangewezen. Deze projecten moeten door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn goedgekeurd.
Een belegging kan als belegging in durfkapitaal worden aangemerkt als deze aan bepaalde voorwaarden voldeed. Deze voorwaarden gaan bijvoorbeeld over de hoogte van de belegging of over het doel waarvoor de belegging door de startende ondernemer of de participatiemaatschappij wordt gebruikt.
Meer informatie over beleggingen in durfkapitaal kunt u krijgen bij de BelastingTelefoon: 0800 - 0543.
Fiscale partner
Als u heel 2007 een fiscale partner had, dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Omgekeerd kan uw fiscale partner de vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling.
De partner die de vrijstelling heeft, komt in aanmerking voor de heffingskorting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. In beide gevallen moet u hier in de aangifte gezamenlijk om verzoeken.
Spaartegoeden: minder vaak dan jaarlijks rentebijschrijving
Als de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven, geef dan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2007 aan van dat tegoed. Dit is doorgaans de waarde van het spaartegoed inclusief de rente die u tot 1 januari 2007 hebt opgebouwd. Als u het tegoed op 31 december 2007 nog had, geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer aan op die datum. Het gaat hier om de waarde inclusief de rente die u tot en met 31 december 2007 hebt opgebouwd. Ook als deze rente op dat moment nog niet was bijgeschreven.
U weet niet wat de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoeden is en u hebt niet meer dan € 17.600 ingelegd
Het kan zijn dat u geen opgave hebt van bijvoorbeeld uw bank waaruit de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoed blijkt. Als uw inleg niet meer is dan € 17.600, dan kunt u de waarde als volgt berekenen: tel bij uw inleg de rente die u sinds de inleg hebt opgebouwd. U hoeft geen rente op rente te berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van tien jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2004 hebt u € 10.000 ingelegd, tegen 6% rente per jaar. De rente die u per jaar ontvangt is dan 6% van € 10.000 = € 600.
De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2007 is dan:
€ 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2004) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) = € 11.800.
Op 31 december 2007 is dat:
€ 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2004) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) + € 600 (rente over 2007) = € 12.400.
U weet niet wat de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoeden is en u hebt meer dan € 17.600 ingelegd
Het kan zijn dat u geen opgave hebt van bijvoorbeeld uw bank waaruit de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoed blijkt. Als uw inleg meer was dan € 17.600, dan is de waarde de contante waarde van de vordering inclusief rente. Dit berekent u door de eindwaarde, inclusief rente, te corrigeren tegen de actuele marktrente voor het aantal jaren dat het contract nog loopt. Als de huidige rente van uw spaarproduct niet of nauwelijks afwijkt van de rente die u kreeg op het moment dat u het geld inlegde, dan kunt u de waarde als volgt berekenen: tel bij uw inleg de rente die u sinds de inleg hebt opgebouwd. U moet dan wel rente op rente berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van vijf jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2004 hebt u € 50.000 ingelegd, tegen 4% rente.
De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2007 is dan:
€ 50.000 (inleg) + € 2.000 (rente over 2004) + € 2.080 (rente over 2005) + € 2.163 (rente over 2006) = € 56.243.
Op 31 december 2007 is dat:
€ 56.243 (waarde op 1 januari 2007) + € 2.249 (rente over 2007) = € 58.492.
Vorderingen: minder vaak dan jaarlijks rentebijschrijving
Had u op 1 januari 2007 een vordering waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven? Dan geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2007 aan van deze vordering. Dit is doorgaans de waarde van de vordering inclusief de tot 1 januari 2007 opgebouwde rente. Als u de vordering op 31 december 2007 nog had, geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer aan inclusief de rente die tot en met 2007 is opgebouwd.
Blote eigendom, vruchtgebruik of rechten op periodieke uitkeringen
Het gaat om de blote eigendom, het vruchtgebruik of de rechten op periodieke uitkeringen waarvan u de uitkeringen al ontvangt in de vorm van geld, en die niet in box 1 vallen. De waarde van de blote eigendom en vruchtgebruik berekent u op een speciale manier. Uitgangspunt is de volle waarde van de bezitting. De waarde van het vruchtgebruik berekent u door eerst de jaarlijkse uitkering te berekenen. Deze jaarlijkse uitkering wordt gesteld op 4% van de volle waarde van het betreffende vermogensbestanddeel. De jaarlijkse uitkering vermenigvuldigt u met de vermenigvuldigingsfactor uit tabel 1, 2 of 3, afhankelijk van de situatie die voor de vruchtgebruiker geldt. Dan hebt u de waarde van het vruchtgebruik berekend.
De waarde van de blote eigendom is de volle waarde verminderd met de waarde van het vruchtgebruik. U geeft bijvoorbeeld de waarde van het vruchtgebruik in box 3 aan, als u de blote eigendom van uw woning hebt verkocht of geschonken, waarbij u het vruchtgebruik hebt voorbehouden. Andersom geeft u de waarde van de blote eigendom in
box 3 aan als u deze hebt gekocht of verkregen.
Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven
Gaat het om een ingegane periodieke uitkering in geld of een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur uitsluitend afhankelijk is van een leven? Dan berekent u de aan te geven waarde als volgt:
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één mannelijk persoon, berekent u de waarde met Tabel 1.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan echter uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum verminderd met vijf jaar.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van meer dan één leven en die vervalt bij het overlijden van de langstlevende, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de jongste persoon verminderd met tien jaar.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van meer dan één leven en die vervalt bij het overlijden van de eerststervende, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de oudste persoon vermeerderd met vijf jaar.
Vervolgens vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met de vermenigvuldigingsfactor uit Tabel 1.
Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik niet uitsluitend afhankelijk van een leven
Gaat het om een ingegane periodieke uitkering in geld of een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur niet uitsluitend afhankelijk is van een leven, maar die ook vervalt na een bepaalde tijd? Dan berekent u de aan te geven waarde als volgt:
1. Vermenigvuldig de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert.
2. Vermenigvuldig de uitkomst met een vermenigvuldigingsfactor.
Doe dit als volgt:
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één mannelijk persoon, berekent u de waarde met de Tabel 2 op bladzijde 4.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 2 op bladzijde 4. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum verminderd met vijf jaar.
Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven
Gaat het om een ingegane periodieke uitkering in geld of een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur niet afhankelijk is van een leven en die voor onbepaalde tijd is? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met de factor 24.
Gaat het om een ingegane periodieke uitkering in geld of een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur niet afhankelijk is van een leven en die na een bepaalde tijd vervalt? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse
uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert. De uitkomst vermenigvuldigt u vervolgens met de getallen in Tabel 3 op bladzijde 4.
Jaarlijkse uitkering onzeker
Gaat het om een periodieke uitkering in geld waarvan de hoogte van de jaarlijkse uitkering onzeker is? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de geschatte gemiddelde jaarlijkse uitkering.
Jaarlijkse uitkering niet in geld
Gaat het om een uitkering die recht geeft op goederen in plaats van geld? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de waarde in het economische verkeer van die goederen.
Overige periodieke uitkeringen
De waarde van een ander soort periodieke uitkering dan hiervoor genoemd, is het bedrag waarvoor die uitkering op de peildatum zou kunnen worden aangekocht.
Tabel 1 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven (zie website belastingdienst)
Bron: www.belastingdienst.nl |