|
Wordt deze aanvullende toelichting gebruikt voor het invullen van een F-biljet? Dan wordt met ‘u’, ‘uw’ of ‘uzelf’ de overleden belastingplichtige bedoeld.
Had u of uw minderjarige kinderen in 2008 bezittingen in Nederland of in het buitenland? Of gold dit voor uw fiscale partner of de minderjarige kinderen van uw fiscale partner? Dan moet u de waarde daarvan aangeven als bezittingen in box 3: voordeel uit sparen en beleggen. In de toelichting bij uw aangifte inkomstenbelasting staat algemene informatiehierover. In deze aanvullende toelichting vindt u meer informatie over de vrijstelling maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Ook leest u meer over spaartegoeden waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven, over periodieke uitkeringen die u ontvangt in geld en die niet in box 1 vallen, en over bloot eigendom en vruchtgebruik.
Partiële buitenlandse belastingplicht 30%-bewijsregel
Hebt u als buitenlandse deskundige in Nederland gewerkt? En koos u in 2008 voor partiële buitenlandse belastingplicht? Dan hoeft u in uw aangifte bij de vraag over bezittingen alleen rekening te houden met (rechten op) onroerende zaken in Nederland en rechten op een deel van de winst van een Nederlandse onderneming. Bij de vraag over schulden moet u ook rekening houden met de schulden in verband met deze bezittingen. U hebt in deze situatie geen recht op een heffingvrij vermogen, de toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen en de ouderentoeslag.
Vorderingen op grond van een nalatenschap
Als een van uw ouders is overleden, kunnen bij de verdeling van de nalatenschap alle bezittingen zijn overgegaan op de langstlevende echtgenoot. De langstlevende echtgenoot heeft dan ook de verplichting op zich genomen om alle schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. Is dit het geval, en hebt u bij de verdeling van de nalatenschap een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot gekregen? Dan geeft u deze vordering niet aan. De langstlevende ouder kan deze schuld aan het kind niet in box 3 aangeven. Andere vorderingen op grond van een nalatenschap moet u wel als bezittingen aangeven in box 3.
Vrijstelling maatschappelijke beleggingen
Als u in 2008 maatschappelijke beleggingen had, geldt op elke peildatum een vrijstelling tot een gezamenlijke waarde van maximaal € 54.223. De waarde van uw maatschappelijke beleggingen die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u wel aangeven in box 3.
Uitzondering
Er geldt een volledige vrijstelling als u beleggingen hebt in een aangewezen groenfonds dat bij ons is geregistreerd en dat aan een van de volgende twee voorwaarden voldoet:
– De beleggingen had u op 31 december 2000.
– De beleggingen hebt u door een erfenis of door te trouwen gekregen van degene die ze op 31 december 2000 had.
U hoeft de waarde van deze beleggingen niet aan te geven.
Maatschappelijke beleggingen zijn ‘groene’ beleggingen en sociaalethische beleggingen:
– ‘Groene’ beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door ons zijn aangewezen en die deelnemen in projecten voor milieubescherming. Deze projecten moeten door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn goedgekeurd.
– Sociaalethische beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door ons zijn aangewezen en die deelnemen in projecten voor bijvoorbeeld economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Deze projecten moeten door de minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn goedgekeurd.
Fiscale partner
Had u heel 2008 een fiscale partner? Dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Uw fiscale partner kan zijn vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele
vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling. De partner die de vrijstelling heeft, krijgt de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen. In beide gevallen moet u hier samen met uw fiscale partner voor kiezen. Dit doet u door uw aangifte ook door uw fiscale partner te laten ondertekenen. Dient uw fiscale partner ook een aangifte in? Dan moet ook deze door u beiden ondertekend worden.
Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
Had u in 2008 beleggingen in durfkapitaal? Dan geldt op elke peildatum een vrijstelling tot een gezamenlijke waarde van maximaal € 54.223. De waarde van uw beleggingen in durfkapitaal die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u aangeven in box 3. Beleggingen in durfkapitaal zijn:
– achtergestelde leningen aan startende ondernemers die bij ons zijn geregistreerd (directe beleggingen)
– leningen aan en beleggingen in bepaalde participatiemaatschappijen (indirecte beleggingen)
– beleggingen in culturele fondsen die door ons zijn aangewezen.
Deze projecten moeten door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn goedgekeurd. Een belegging kan als belegging in durfkapitaal worden aangemerkt als deze aan diverse voorwaarden voldeed. Deze voorwaarden betreffen bijvoorbeeld de hoogte van de belegging en het doel waarvoor de belegging door de startende ondernemer of de participatiemaatschappij wordt gebruikt.
Meer informatie over beleggingen in durfkapitaal kunt u krijgen bij de BelastingTelefoon: 0800 - 0543.
Fiscale partner
Had u heel 2008 een fiscale partner? Dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Uw fiscale partner kan zijn vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling. De partner die de vrijstelling heeft, krijgt de heffingskorting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. In beide gevallen moet u hier samen met uw fiscale partner voor kiezen. Dit doet u door uw aangifte ook door uw fiscale partner te laten ondertekenen. Dient uw fiscale partner ook een aangifte in? Dan moet ook deze door u beiden ondertekend worden. Spaartegoeden: minder vaak dan jaarlijkse rentebijschrijving Wordt de rente minder vaak dan jaarlijks bijgeschreven? Dan geeft u de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2008 aan van dat tegoed. Dit is meestal de waarde van het spaartegoed inclusief de rente die u tot 1 januari 2008 hebt opgebouwd. Als u het tegoed op 31 december 2008 nog had, geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer aan van het tegoed op die datum. Het gaat hier om de waarde inclusief de rente die u tot en met 31 december 2008 hebt opgebouwd. Ook als deze rente op dat moment nog niet was bijgeschreven.
U weet niet wat de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoeden is en u hebt niet meer dan € 17.600 ingelegd
Het kan zijn dat u geen opgave hebt, van bijvoorbeeld uw bank, waaruit de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoed blijkt. Is uw inleg niet meer dan € 17.600? Dan berekent u de waarde als volgt: tel bij uw inleg de rente die u sinds de inleg hebt opgebouwd. U hoeft geen rente op rente te berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van tien jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2005 hebt u € 10.000 ingelegd, tegen 6% rente per jaar. De rente die u per jaar ontvangt is dan 6% van € 10.000 = € 600. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2008 is dan: € 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) + € 600 (rente over 2007) = € 11 .800. Op 31 december 2008 is dat: € 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) + € 600 (rente over 2007) + € 600 (rente over 2008) = € 12.400.
U weet niet wat de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoeden is en u hebt meer dan € 17.600 ingelegd
Het kan zijn dat u geen opgave hebt, van bijvoorbeeld uw bank,waaruit de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoedblijkt. Als uw inleg meer was dan € 17.600, dan is de waarde de contantewaarde van de vordering inclusief rente. Dit berekent u door deeindwaarde, inclusief rente, te corrigeren tegen de actuele marktrentevoor het aantal jaren dat het contract nog loopt.Wijkt de huidige rente van uw spaarproduct niet of nauwelijks af vande rente die u kreeg op het moment dat u het geld inlegde? Dan kuntu de waarde als volgt berekenen: tel bij uw inleg de rente die u sindsde inleg hebt opgebouwd. U moet dan wel rente op rente berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van vijf jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2005 hebt u € 50.000 ingelegd, tegen 4% rente. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2008 is dan: € 50.000 (inleg) + € 2.000 (rente over 2005) + € 2.080 (rente over 2006) + € 2.163 (rente over 2007) = € 56.243. Op 31 december 2008 is dat: € 56.243 (waarde op 1 januari 2008) + € 2.249 (rente over 2008) = € 58.492.
Vorderingen: minder vaak dan jaarlijks rentebijschrijving
Had u op 1 januari 2008 een vordering waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven? Dan geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2008 aan van deze vordering. Dit is meestal de waarde van de vordering inclusief de tot 1 januari 2008 opgebouwde rente. Als u de vordering op 31 december 2008 nog had, geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer aan inclusief de rente die tot en met 2008 is opgebouwd.
Blote eigendom, vruchtgebruik of rechten op periodieke uitkeringen
Het gaat om de blote eigendom, het vruchtgebruik of de rechten op periodieke uitkeringen waarvan u de uitkeringen al krijgt in de vorm van geld, en die niet in box 1 vallen. De waarde van de blote eigendom en het vruchtgebruik berekent u op een speciale manier. Uitgangspunt is de volle waarde van de bezittingen. De waarde van het vruchtgebruik berekent u door eerst de jaarlijkse uitkering te berekenen. Deze jaarlijkse uitkering wordt gesteld op 4% van de volle waarde van het betreffende vermogensbestanddeel. De jaarlijkse uitkering vermenigvuldigt u met de vermenigvuldigingsfactor uit tabel 1, 2 of 3, afhankelijk van de situatie die voor de vruchtgebruiker geldt. Dan hebt u de waarde van het vruchtgebruik berekend. De waarde van de blote eigendom is de volle waarde min de waarde van het vruchtgebruik. U geeft bijvoorbeeld de waarde van het vruchtgebruik in box 3 aan, als u de blote eigendom van uw woning hebt verkocht of geschonken, waarbij u het vruchtgebruik hebt behouden. Andersom geeft u de waarde van de blote eigendom in box 3 aan als u deze hebt gekocht of verkregen.
Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven
Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur uitsluitend afhankelijk is van een leven? Dan berekent u de aan te geven waarde als volgt:
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één mannelijk persoon, berekent u de waarde met Tabel 1.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, verminderd met vijf jaar.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van meer dan één leven en die vervalt bij het overlijden van de langstlevende, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de jongste persoon, verminderd met tien jaar.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van meer dan één leven en die vervalt bij het overlijden van de eerststervende, berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de oudste persoon, vermeerderd met vijf jaar. Vervolgens vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met de vermenigvuldigingsfactor uit Tabel 1.
Tabel 1 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik niet uitsluitendafhankelijk van één leven
Krijgt u een ingegane periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur niet uitsluitend afhankelijk is van een leven? En vervalt die ook na een bepaalde tijd? Dan berekent u de aan te geven waarde als volgt:
1. Vermenigvuldig de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert.
2. Vermenigvuldig de uitkomst met een vermenigvuldigingsfactor.
Doe dit als volgt:
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één mannelijk persoon, berekent u de waarde met Tabel 2.
- Als de uitkeringsduur afhankelijk is van het leven van één vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 2. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum,
erminderd met vijf jaar.
Ingegane periodieke uitkering of vruchtgebruik niet afhankelijk
van een leven
Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de uitkeringsduur niet afhankelijk is van een leven? En is voor onbepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met de factor 24. Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik
waarvan de uitkeringsduur niet afhankelijk is van een leven? En vervalt die na een bepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert. De uitkomst vermenigvuldigt u vervolgens met de getallen uit Tabel 3.
Jaarlijkse uitkering onzeker
Gaat het om een periodieke uitkering in geld waarvan de hoogte van de jaarlijkse uitkering onzeker is? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de geschatte gemiddelde jaarlijkse uitkering.
Jaarlijkse uitkering niet in geld
Gaat het om een uitkering die recht geeft op goederen in plaats van geld? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de waarde in het economische verkeer van die goederen.
Overige periodieke uitkeringen
De waarde van een ander soort periodieke uitkering dan hiervoorgenoemd, is het bedrag waarvoor die uitkering op de peildatum kanworden aangekocht.
Voor tabellen en rekenhulpen zie de website van de Belastingdienst.
Bron: www.belastingdienst.nl |