|
In deze aanvullende toelichting vindt u onder andere informatie over de vrijstelling maatschappelijke beleggingen en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal. Ook leest u meer over spaartegoeden waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven, over periodieke uitkeringen die u ontvangt in geld en die niet in box 1 vallen, en over bloot eigendom en vruchtgebruik.
Partiële buitenlandse belastingplicht 30%-bewijsregel
Hebt u als buitenlandse deskundige in Nederland gewerkt? En koos u in 2009 voor partiële buitenlandse belastingplicht? Dan hoeft u in uw aangifte bij de vraag over bezittingen alleen rekening te houden met (rechten op) onroerende zaken in Nederland en rechten op een deel van de winst van een Nederlandse onderneming. Bij de vraag over schulden moet u ook rekening houden met de schulden in verband met deze bezittingen. U hebt in deze situatie geen recht op een heffingvrij vermogen, de toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen en de ouderentoeslag.
Vrijstelling maatschappelijke beleggingen
Als u in 2009 maatschappelijke beleggingen had, krijgt u op elke peildatum een vrijstelling tot maximaal € 55.145. Deze vrijstelling geldt voor de totale waarde van uw maatschappelijke beleggingen. De waarde die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u aangeven in box 3, bij ‘Aandelen, obligaties en dergelijke’.
Maatschappelijke beleggingen zijn ‘groene’ beleggingen en sociaalethische beleggingen:
– ‘Groene’ beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door ons zijn erkend en die investeren in projecten voor milieubescherming.
– Sociaal-ethische beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door ons zijn erkend en die investeren in projecten voor bijvoorbeeld economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden.
Volledige vrijstelling beleggingen in erkende groenfondsen
U krijgt een volledige vrijstelling voor de waarde van beleggingen in een door ons erkend groenfonds. Deze beleggingen moeten dan aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
– U had de beleggingen al op 31 december 2000.
– U hebt de beleggingen door een erfenis of door te trouwen gekregen van degene die ze op 31 december 2000 had. U hoeft de waarde van deze beleggingen niet aan te geven.
Fiscale partner
Had u heel 2009 een fiscale partner? Dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Uw fiscale partner kan zijn vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling. In beide gevallen moet u hier samen met uw fiscale partner voor kiezen. Dit doet u door uw aangifte ook door uw fiscale partner te laten ondertekenen. Doet uw fiscale partner apart aangifte? Dan moet u ook deze aangifte allebei ondertekenen. De partner die de vrijstelling heeft, krijgt de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen.
Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
Als u in 2009 beleggingen in durfkapitaal had, krijgt u op elke peildatum een vrijstelling tot maximaal € 55.145. Deze vrijstelling geldt voor de totale waarde van uw beleggingen in durfkapitaal. De waarde die boven deze vrijstelling uitkomt, moet u aangeven in box 3, bij ‘Aandelen, obligaties en dergelijke’.
Beleggingen in durfkapitaal zijn:
– achtergestelde leningen aan startende ondernemers die bij ons zijn geregistreerd
Een achtergestelde lening is een lening die pas hoeft te worden afgelost als, bijvoorbeeld bij faillissement, alle andere schulden zijn betaald.
– leningen aan en beleggingen in bepaalde participatiemaatschappijen
– beleggingen in culturele fondsen die door ons zijn erkend
Een belegging kan als belegging in durfkapitaal worden erkend als deze aan diverse voorwaarden voldoet. Deze voorwaarden hebben bijvoorbeeld te maken met:
– de hoogte van de belegging
– het doel waarvoor de startende ondernemer of de participatiemaatschappij de belegging gebruikt
Bel voor meer informatie over beleggingen in durfkapitaal de BelastingTelefoon: 0800 - 543.
Fiscale partner
Had u heel 2009 een fiscale partner? Dan kunt u uw vrijstelling aan uw fiscale partner overdragen. Uw fiscale partner heeft dan een dubbele vrijstelling en u hebt dan geen vrijstelling. Uw fiscale partner kan de vrijstelling ook aan u overdragen. Dan hebt u een dubbele vrijstelling en heeft uw fiscale partner geen vrijstelling. In beide gevallen moet u hier samen met uw fiscale partner voor kiezen. Dit doet u door uw aangifte ook door uw fiscale partner te laten ondertekenen. Doet uw fiscale partner apart aangifte? Dan moet u ook deze aangifte allebei ondertekenen. De partner die de vrijstelling heeft, krijgt de heffingskorting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.
Spaartegoeden: minder vaak dan jaarlijkse rentebijschrijving
Wordt uw rente minder vaak dan jaarlijks bijgeschreven? Dan geeft u de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2009 aan van het tegoed. Dit is meestal de waarde van het spaartegoed inclusief de rente die u tot 1 januari 2009 hebt opgebouwd. Als u het tegoed op 31 december 2009 nog had, geeft u de waarde in het economische verkeer aan van het tegoed op die datum. Het gaat hier om de waarde inclusief de rente die u tot en met 31 december 2009 hebt opgebouwd. Ook als deze rente op dat moment nog niet was bijgeschreven.
Waarde in het economische verkeer van uw spaartegoeden onbekend
Hebt u geen bericht gekregen waaruit de waarde in het economische verkeer van uw spaartegoed blijkt, bijvoorbeeld van uw bank? Bereken dan zelf de waarde van uw spaartegoeden. De berekening hangt af van de hoogte van uw inleg.
U hebt niet meer dan € 17.600 ingelegd
Was uw inleg niet meer dan € 17.600? Dan berekent u de waarde als volgt: tel bij uw inleg de rente die u sinds de inleg hebt opgebouwd. U hoeft geen rente op rente te berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van tien jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2005 hebt u € 10.000 ingelegd, tegen 6% rente per jaar. De rente die u per jaar krijgt is dan 6% van € 10.000 = € 600. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2009 is dan: € 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) + € 600 (rente over 2007)+ € 600 (rente over 2008) = € 12.400. Op 31 december 2009 is dat: € 10.000 (inleg) + € 600 (rente over 2005) + € 600 (rente over 2006) + € 600 (rente over 2007) + € 600 (rente over 2008) + € 600 (rente over 2009) = € 13.000.
U hebt meer dan € 17.600 ingelegd
Was uw inleg meer dan € 17.600? Dan is de waarde de contante waarde van de vordering inclusief rente. Dit berekent u door de eindwaarde, inclusief rente, aan te passen aan de actuele marktrente voor het aantal jaren dat het contract nog loopt. Wijkt de huidige rente van uw spaarproduct niet of nauwelijks af van de rente die u kreeg op het moment dat u het geld inlegde? Dan kunt u de waarde als volgt berekenen: tel bij uw inleg de rente die u sinds de inleg hebt opgebouwd. U moet dan wel rente op rente berekenen.
Voorbeeld
U hebt een spaarcontract van vijf jaar en de rente wordt niet jaarlijks bijgeschreven. Op 1 januari 2006 hebt u € 50.000 ingelegd, tegen 4% rente. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2009 is dan: € 50.000 (inleg) + € 2.000 (rente over 2006) + € 2.080 (rente over 2007) + € 2.163 (rente over 2008) = € 56.243.
Op 31 december 2009 is dat: € 56.243 (waarde op 1 januari 2009) + € 2.249 (rente over 2009) = € 58.492.
Vorderingen: minder vaak dan jaarlijks rentebijschrijving
Had u op 1 januari 2009 een vordering waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven? Dan geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2009 aan van deze vordering. Dit is meestal de waarde van de vordering inclusief de tot 1 januari 2009 opgebouwde rente. Als u de vordering op 31 december 2009 nog had, geeft u in box 3 de waarde in het economische verkeer aan inclusief de rente die tot en met 2009 is opgebouwd.
Periodieke uitkering of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven
Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur uitsluitend afhankelijk is van een leven? Dan berekent u de waarde als volgt:
– Is de duur afhankelijk van het leven van één mannelijk persoon? Dan berekent u de waarde met Tabel 1.
– Is de duur afhankelijk van het leven van één vrouwelijk persoon?
Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, min vijf jaar.
– Is de duur afhankelijk van meer dan één leven en vervalt de uitkering bij overlijden van de langstlevende persoon? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de jongste persoon, min tien jaar.
– Is de duur afhankelijk van meer dan één leven en vervalt de uitkering als de eerste persoon overlijdt? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de oudste persoon, plus vijf jaar.
Vervolgens vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met de vermenigvuldigingsfactor uit Tabel 1.
Periodieke uitkering of vruchtgebruik niet uitsluitend afhankelijk van een leven
Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur niet uitsluitend afhankelijk is van een leven? En vervalt die ook na een bepaalde tijd? Dan berekent u de waarde als volgt:
1. Vermenigvuldig de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert.
2. Vermenigvuldig de uitkomst met een vermenigvuldigingsfactor. Doe dit als volgt:
– Als de duur afhankelijk is van het leven van één mannelijk persoon,
berekent u de waarde met Tabel 2.
- Als de duur afhankelijk is van het leven van één vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 2. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon per peildatum, min vijf jaar.
Let op!
Als de uitkomst van deze berekening hoger is dan de uitkomst van de berekening met behulp van Tabel 1, gaat u uit van de uitkomst van
Tabel 1
Periodieke uitkering of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven
Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur niet afhankelijk is van een leven? En is die voor onbepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met 24. Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur niet afhankelijk is van een leven? En vervalt die na een bepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert. De uitkomst vermenigvuldigt u vervolgens met de getallen uit Tabel 3.
Hoogte jaarlijkse uitkering onzeker
Krijgt u een periodieke uitkering in geld waarvan de hoogte uitkering onzeker is? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de geschatte gemiddelde jaarlijkse uitkering.
Jaarlijkse uitkering niet in geld
Krijgt u een uitkering die recht geeft op goederen in plaats van geld? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de waarde in het economische verkeer van die goederen.
Overige periodieke uitkeringen
De waarde van een ander soort periodieke uitkering dan hiervoor genoemd, is het bedrag waarvoor die uitkering op de peildatum kan worden aangekocht.
Berekening waarde van het vruchtgebruik
U gaat uit van de volle waarde van de bezittingen. De waarde van het vruchtgebruik berekent u door eerst de jaarlijkse uitkering te berekenen. Deze jaarlijkse uitkering wordt gesteld op 4% van de volle waarde van de bezitting. De jaarlijkse uitkering vermenigvuldigt u met de vermenigvuldigingsfactor uit de Tabel 1, 2 of 3, afhankelijk van de situatie die voor de vruchtgebruiker geldt.
Berekening waarde van de blote eigendom
U gaat uit van de volle waarde van de bezittingen. De waarde van de blote eigendom is de volle waarde min de waarde van het vruchtgebruik. U geeft bijvoorbeeld de waarde van een vruchtgebruik in box 3 aan, als u de blote eigendom van uw woning hebt verkocht of geschonken, waarbij u het vruchtgebruik hebt gehouden. Andersom geeft u de waarde van de blote eigendom in box 3 aan als u deze hebt gekocht of verkregen.
Tabel 1 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven
Leeftijd op peildatum van Vermenigvuldigingsfactor degene tijdens wiens leven de uitkering moet plaatsvinden
0 t/m 24 jaar 22
25 t/m 29 jaar 21
30 t/m 34 jaar 20
35 t/m 39 jaar 19
40 t/m 44 jaar 18
45 t/m 49 jaar 16
50 t/m 54 jaar 15
55 t/m 59 jaar 13
60 t/m 64 jaar 11
65 t/m 69 jaar 9
70 t/m 74 jaar 8
75 t/m 79 jaar 6
80 t/m 84 jaar 4
85 t/m 89 jaar 3
90 t/m 94 jaar 2
95 jaar en ouder 1
Tabel 2 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet uitsluitend
afhankelijk van een leven en die na een bepaalde tijd vervalt
1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e volgende
vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal vijftal jaren
jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren jaren
0,91 0,75 0,61 0,50 0,41 0,34 0,28 0,23 0,19 0,16 0,13 0,11 0,09
Tabel 3 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven en die na een bepaalde tijd vervalt
Voor tabellen en rekenhulpen zie de website van de Belastingdienst.
Bron: www.belastingdienst.nl |