|
Is uw echtgenoot in 2010 overleden? Dan bent u tot de datum van overlijden fiscale partners. U mag er voor kiezen om heel 2010 fiscale partners te zijn.
Is uw partner of huisgenoot in 2010 overleden en woonde u door het overlijden in 2010 korter dan 6 maanden samen? Dan mag u er toch voor kiezen om heel 2010 fiscale partners te zijn. U moet dan wel aan de volgende voorwaarden voldoen:
•U voldoet in 2010 aan de andere 3 eerstgenoemde voorwaarden voor fiscaal partnerschap voor ongetrouwd samenwonenden. Zie ongetrouwd samenwonen.
•U en uw overleden partner of huisgenoot kozen voor 2009 ook voor fiscaal partnerschap.
Wilt u fiscale partners zijn? Dan geeft u dit aan in de aangifte, samen met de vertegenwoordiger van de erfgenamen van uw overleden partner of huisgenoot. U kunt ook zelf de vertegenwoordiger zijn.
Als u aangifte doet voor een overledene, kunt u alleen het aangifteprogramma gebruiken als u het hele jaar als fiscale partners wordt beschouwd. Uw verzoek om voor heel 2010 als fiscale partner te worden beschouwd, doet u samen met de vertegenwoordiger van de erfgenamen van uw overleden partner of huisgenoot. U kunt ook zelf de vertegenwoordiger zijn.
Als u ervoor kiest om aangifte te doen met het aangifteprogramma, kunt u pas aangifte doen voor de overledene na afloop van het jaar 2010. Als u deze keuze niet maakt, dan kunt u voor uzelf wel via het aangifteprogramma aangifte doen, maar gebruikt u voor uw overleden partner of huisgenoot het aangifteformulier F. Dat geldt ook als u aangifte doet voor een alleenstaande overledene.
Als de overledene in het voorgaande jaar aangifte moest doen, ontvangt de vertegenwoordiger van de erfgenamen het F-formulier automatisch. Als dat niet is gebeurd, kan hij het formulier aanvragen bij de BelastingTelefoon.
Welke inkomsten en uitgaven moet u aangeven?
In de aangifte geeft u de inkomsten en aftrekposten aan die de overledene in de aangifteperiode had. Dit is de periode van 1 januari 2010 tot het moment van overlijden.
Uw partner had recht op heffingskortingen
Voldeed uw overleden partner in 2010 aan de voorwaarden voor een heffingskorting? Dan betalen wij het volledige bedrag van de heffingskorting(en) uit. Er zijn ook andere heffingskortingen waarop u misschien recht hebt als uw partner is overleden, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting of de alleenstaandeouderkorting. Deze kortingen vraagt u aan met de aangifte inkomstenbelasting 2010.
Zie ook:
www.overlijden.overheid.nl
Fiscaal partnerschap voor heel 2010 aanvragen
In een aantal situaties kunt u in geval van overlijden kiezen voor fiscaal partnerschap voor heel 2010. U mag dan de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten verdelen met uw overleden partner. Alleen de grondslag sparen en beleggen mag u niet verdelen. Ook niet als u voor heel 2010 kiest voor fiscaal partnerschap.
U woonde samen
Als uw huisgenoot in 2010 is overleden, kunt u toch kiezen voor fiscaal partnerschap voor heel 2010. U moet dan aan de volgende voorwaarden voldoen:
•U en uw huisgenoot woonden in 2010 langer dan 6 maanden onafgebroken samen en hadden een gezamenlijke huishouding.
Als u door het overlijden korter dan 6 maanden in 2010 hebt samengewoond, maar u voldoet wel aan de overige voorwaarden, kunt u toch kiezen voor fiscaal partnerschap voor heel 2010. U moet dan wel beiden ook voor 2009 hebben gekozen voor fiscaal partnerschap.
•U en uw huisgenoot waren gedurende die periode meerderjarig.
•U stond in die periode bij de gemeente steeds op hetzelfde woonadres ingeschreven als uw huisgenoot.
•Als u in 2010 samenwoonde met uw kind of met uw vader of moeder, dan geldt als voorwaarde dat u op 31 december 2009 allebei 27 jaar of ouder was.
Let op!
Als de erfgenamen van de belastingplichtige en zijn huisgenoot voor fiscaal partnerschap kiezen, kan dit gevolgen hebben voor de erfbelasting en de schenkbelasting. Meer informatie over erf- en schenkbelasting leest u bij:
Erfbelasting
Schenkbelasting
U was getrouwd
Als u in 2010 getrouwd was en uw partner is in 2010 overleden, kunt u toch kiezen voor fiscaal partnerschap voor heel 2010.
Bezittingen en schulden verdelen
U betaalt belasting over een vast rendement op uw vermogen. Dit vaste rendement wordt berekend over de grondslag sparen en beleggen. Dat is de gemiddelde waarde van uw bezittingen min uw schulden (uw vermogen) min het heffingvrij vermogen. U moet uitgaan van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen en de schulden op 1 januari 2010 (begindatum) en 31 december 2010 (einddatum).
Vast rendement bij overlijden
Het vaste rendement over uw bezittingen min de schulden is normaal gesproken 4%. In het jaar van overlijden is dit vaste rendement lager, omdat het wordt herleid. Dat betekent dat wij voor de berekening van het vaste rendement uitgaan van het aantal maanden tot het overlijden. De maand van overlijden telt daarbij niet mee. Als iemand bijvoorbeeld op 15 juli overlijdt, dan is het vaste rendement 6/12 x 4% = 2%.
Alleenstaand of fiscaal partner?
Was de overledene alleenstaand? Dan geeft u de waarde aan op 1 januari 2010 en op de overlijdensdatum.
Had de overledene een fiscale partner? Dan geeft iedere partner zijn eigen bezittingen en schulden aan, ook al kiest u voor het hele jaar 2010 voor fiscaal partnerschap. Was u in gemeenschap van goederen getrouwd? Dan geeft ieder de helft aan van iedere bezitting en de helft van iedere schuld. Voor de overledene gaat u daarbij uit van de waarde van die bezittingen en schulden op 1 januari 2010 en op de overlijdensdatum. De andere partner gaat uit van de waarde van zijn deel van de bezittingen en schulden op 1 januari 2010 en het geheel van de bezittingen en schulden op 31 december 2010.
Kiest u ervoor om heel 2010 fiscale partners te zijn? Dan kunt u in het jaar van overlijden de grondslag sparen en beleggen niet verdelen.
Voorbeeld
U bent in gemeenschap van goederen getrouwd. Uw partner overlijdt op 21 april 2010. De waarde van de bezittingen min de schulden is op 1 januari 2010 € 100.000, op 21 april 2010 € 150.000 en op 31 december 2010 € 200.000. Volgens het huwelijksvermogensrecht is de helft van het vermogen van de overledene. Over de waarde van de bezittingen min de schulden na 21 april 2010 tot en met 31 december 2010 hoeft geen belasting te worden betaald.
De gemiddelde rendementsgrondslag van de overledene is 50% van (€ 100.000 + € 150.000) : 2 = € 62.500. Dit bedrag wordt verminderd met het heffingvrije vermogen van € 20.661. De grondslag voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen is: € 62.500 - € 20.661 = € 41.839. Het vaste rendement van 4% wordt herleid naar 1% (3/12 x 4%). Het voordeel uit sparen en beleggen is 1% van € 41.839 = € 418.
Uw gemiddelde rendementsgrondslag is (50% van € 100.000) + € 200.000 = € 250.000 : 2 = € 125.000. Dit bedrag wordt verminderd met het heffingvrije vermogen van € 20.661. De grondslag voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen is: € 125.000 - € 20.661 = € 104.339. Het voordeel uit sparen en beleggen is € 104.339 x 4% = € 4.173.
Erfenis
Geef de inkomsten en uitgaven aan die de belastingplichtige in de aangifteperiode had. Dit is de periode van 1 januari 2010 tot het moment van overlijden van de belastingplichtige.
Inkomsten die zijn ontvangen na het overlijden van de belastingplichtige horen bij het inkomen van de erfgenamen. Dat kunnen inkomsten zijn uit werk en woning (box 1), inkomsten uit aanmerkelijk belang (box 2) of voordeel uit sparen en beleggen (box 3). Hetzelfde geldt voor uitgaven die de overleden belastingplichtige nog moest betalen.
Als u samen met anderen erft, kan het zijn dat de erfenis pas later wordt verdeeld. Er is dan sprake van een onverdeelde boedel. In dat geval geeft iedere erfgenaam zijn eigen deel.
Let op!
Loon en een uitkering die zijn uitbetaald na het overlijden van de belastingplichtige en die zijn opgenomen in zijn jaaropgaaf, mag u nog aangeven als inkomsten van de belastingplichtige. U kunt er als erfgenaam ook voor kiezen om dat loon of die uitkering aan te geven in uw eigen aangifte.
Meer informatie
Meer informatie over erfbelasting leest u bij Erfbelasting.
Onverdeelde boedel
Kreeg u met 1 of meer anderen een erfenis? Dan kan het zijn dat deze erfenis pas later wordt verdeeld onder de erfgenamen. In de periode tot de verdeling van de erfenis is er een onverdeelde boedel. Ook bij een echtscheiding kan er een onverdeelde boedel zijn.
Een boedel bestaat uit alle bezittingen en schulden én alle rechten en plichten die daarbij horen. Een onverdeelde boedel is een boedel die nog niet gescheiden en verdeeld is. Beheert een notaris de onverdeelde boedel? Vraag hem dan welke bedragen u in uw aangifte moet invullen.
De erfgenamen of rechthebbenden moeten ieder hun eigen deel van (de inkomsten uit) de onverdeelde boedel aangeven. De inkomsten vanuit de boedel zijn dus (deels) uw inkomsten. Behoort bijvoorbeeld een spaarrekening tot de onverdeelde boedel? Dan geeft u uw deel van de spaarrekening aan als spaartegoed in box 3.
Voorbeeld
Een spaarrekening behoort tot de boedel die nog niet verdeeld is. Op deze spaarrekening staat € 1.000. Er zijn 2 erfgenamen. Iedere erfgenaam geeft € 500 op in zijn aangifte.
Onverdeelde boedel bij scheiding
Welk deel van de onverdeelde boedel u bij een echtscheiding in uw aangifte moet aangeven, is afhankelijk van de voorwaarden waaronder u was getrouwd. Was u in gemeenschap van goederen getrouwd? Dan geeft ieder de helft de boedel aan.
Bron: www.belastingdienst.nl |