|
Van wie u de bezittingen en schulden aangeeft, is afhankelijk van uw situatie. Hieronder leest u van wie u de bezittingen en schulden aangeeft.
Fiscale partner
Had u heel 2010 een fiscale partner of koos u daarvoor? Dan berekent u per peildatum de totale waarde van de bezittingen en schulden van u, uw fiscale partner, uw kinderen en de kinderen van uw fiscale partner. Het gaat hier om kinderen over wie u of uw fiscale partner als ouder het gezag uitoefende en die op de desbetreffende peildatum minderjarig waren.
U mag uw bezittingen en schulden verdelen tussen u en uw fiscale partner. Bij de verdeling maakt het niet uit of u zelf de eigenaar was of uw fiscale partner, of de minderjarige kinderen van u of van uw fiscale partner. Het maakt niet uit hoe u verdeelt tussen uzelf en uw fiscale partner. Elke verdeling mag, als het totaal maar 100% is.
Geen fiscale partner
Als u geen fiscale partner had, geeft u per peildatum de totale waarde aan van de bezittingen en schulden van u en uw kinderen. Het gaat hier om kinderen over wie u als ouder het gezag uitoefende en die op de desbetreffende peildatum minderjarig waren. Dit geldt ook als u een deel van 2010 een fiscale partner had en er niet voor kiest om heel 2010 fiscale partners te zijn.
Kinderen
Het aangeven van bezittingen en schulden van uw kinderen is afhankelijk van uw situatie.
U bent gescheiden of u leeft duurzaam gescheiden
Bent u gescheiden of leeft u duurzaam gescheiden en kiest u niet voor het hele jaar voor fiscaal partnerschap? Geef dan de helft van de bezittingen en schulden aan van uw kinderen. De andere ouder geeft in zijn eigen aangifte de andere helft aan.
Vermogen van minderjarige kinderen
Vermeld per peildatum de totale waarde van de bezittingen en schulden van uw kinderen. Het gaat om kinderen die op de peildatums minderjarig waren (jonger dan 18 jaar).
Uw kind werd in 2010 meerderjarig
Werd uw kind in 2010 meerderjarig (18 jaar)? Dan geeft u het vermogen van het kind aan op 1 januari 2010. Uw kind geeft het eigen vermogen aan op 31 december 2010.
Voorbeeld
Het vermogen van uw kind is € 100.000 op 1 januari en € 110.000 op 31 december. Uw kind wordt in augustus 18 jaar. U geeft voor dat kind in box 3 op 1 januari € 100.000 aan en op 31 december € 0. Uw kind geeft op 1 januari € 0 aan en op 31 december € 110.000.
Overleden fiscale partner
In het jaar van overlijden mag u de bezittingen en schulden niet verdelen met uw overleden fiscale partner. Ook niet als u voor heel 2010 kiest voor fiscaal partnerschap. In uw eigen aangifte geeft u de waarde aan van de bezittingen en schulden op de peildatums 1 januari 2010 en 31 december 2010.
Als u in gemeenschap van goederen was getrouwd, geeft u de helft aan van de gezamenlijke bezittingen en schulden op 1 januari 2010. Op 31 december 2010 geeft u de volledige bezittingen en schulden aan. Alle andere inkomsten en aftrekposten kunt u wel verdelen met uw overleden fiscale partner.
Bezittingen van kinderen
Hadden u en de overledene een kind? Dan geeft u in de aangifte van de overledene ook de helft aan van het bezit van het kind op 1 januari en op de overlijdensdatum. Werd het kind in de loop van het jaar meerderjarig na het overlijden van uw partner? Dan wordt het vermogen van het kind voor 50% toegerekend aan het vermogen van de overledene. Werd het kind meerderjarig vóór het overlijden van uw partner? Dan hoort het vermogen van het kind op de overlijdensdatum van uw partner niet bij de bezittingen van de overledene.
Fiscale partner en emigratie of immigratie
Als u in 2010 bent geëmigreerd of geïmmigreerd, mag u de grondslag sparen en beleggen alleen verdelen tussen u en uw fiscale partner als u aan 1 van de volgende voorwaarden voldoet:
•u kiest er allebei voor om voor heel 2010 als binnenlandse belastingplichtige te worden behandeld
•de periode dat u binnenlands belastingplichtig was, heeft in 2010 voor u allebei dezelfde begin- en einddatum
Bron: www.belastingdienst.nl |